Onkruidbestrijding in wintergranen

Onkruidbestrijding in wintergranen

Door na zaai een onkruidbestrijding uit te voeren worden veel onkruiden na kieming direct bestreden.

Wintertarwe direct na zaai.
− 0,45 – 0,6 l/ha Herold + 2 l/ha Stomp

Wintertarwe na opkomst
− 0,45 – 0,6 l/ha Herold
− 0,45 – 0,6 Herold + 0,05 l/ha primus
Op percelen met duist .2,25 l/ha Daiko toevoegen

Wintergerst direct na opkomst (1-2 blad)
− 0,45 – 0,6 Herold + 0,15 AZ500
− Voor contactwerking 0,05 Primus (toevoegen)
Herold is toegelaten in wintertarwe, wintergerst, winterrogge, triticale en spelt.  Herold niet toepassen met bloembollen als volg gewas!

Strategie resistente duist

Ruim voor zaaien klaarleggen en kort voor zaai/opkomst de aanwezige duist afbranden met glyfosaat.

De meest bedrijfszekere strategie is om direct na het zaaien een bespuiting uit te voeren. Een andere mogelijkheid is om na opkomst in 1-3 bladstadium van de tarwe (1-bladstadium duist) te spuiten. Bij de voor-opkomst toepassing is de kans op gewasschade groter dan na-opkomst. Zorg dat bij de voor-opkomst toepassing dat het zaad goed gedekt ligt. Proeven tonen aan dat de effectiviteit van de onkruidbestrijding bij na-opkomst vaak beter is dan voor-opkomst. Overigens in bijna alle proeven zie je zelden 100% bestrijdingsresultaat. In de aanpak van resistente duist is dat nu juist zo belangrijk dat we streven naar 100% bestrijding. Dat betekent op percelen met (verdenking van) resistente duist, nadien, en dat is meestal pas in het voorjaar, een aanvullende bespuiting met Atlantis(combinaties) nodig is.

Grondonderzoek

De aankomende periode is uitstekend geschikt om uw percelen te bemonsteren op de aanwezigheid van schadelijke aaltjes. De laatste jaren stijgt het aantal percelen met een AM besmetting behoorlijk. Daarnaast zijn er steeds meer problemen met nieuwe pathotypen waardoor resistentie worden doorbroken.

Naast de AM problematiek worden er ook steeds meer Meloidogyne besmettingen gevonden. Vooral voor de pootgoedteelt is dit een bedreiging. Daarnaast zijn M. chitwoodi en M. fallax quarantaine organismen.

Om een goed beeld te krijgen van de situatie op uw percelen zijn grondmonsters aan te raden. Voor een strategische aanpak van de verschillende aaltjesbesmettingen kunt u terecht bij uw adviseur. Samen kan er gekeken worden naar het optimale bouwplan, met een goede gewasrotatie en rassenkeuze. Daarnaast speelt de keuze van de juiste groenbemester ook een grote rol.

Om optimaal gebruik te maken van resistentie binnen aardappelrassen kunt u een rassenkeuzetoets laten doen, hierbij wordt gekeken welk ras de bij u aanwezige AM populatie het minste vermeerderd.

Kies bij een aaltjesmonster altijd voor de incubatietechniek! Bij incubatie wordt namelijk ook het aantal eieren en larven bepaald die in organisch materiaal en dan met name in wortel- en gewasresten aanwezig zijn.

In de tabel hieronder kunt u zien wat het juiste moment is om een monster te nemen, of te laten nemen.

Aaltjessoort Grootste pak- c.q. detectiekans Inschatten schade komende teelt
Aardappelcysteaaltje Direct na de oogst van aardappelen oktober-maart voor aardappelteelt
Bietencysteaaltje n.v.t. oktober-maart voor de teelt van schadegevoelige gewassen
Meloidogyne chitwoodi/M. fallax Direct na oogst van een sterk aaltjes vermeerderend gewas december-maart voor schadegevoelige gewassen
Meloidogyne hapla Direct na de oogst van aardappelen, bieten, of andere aaltjes vermeerderende gewassen december-maart voor de teelt van schadegevoelige gewassen
Pratylenchus penetrans n.v.t. december-maart voor de teelt van schadegevoelige gewassen
Overige Trichodoriden november-maart (bij koele vochtige omstandigheden) november-maart (bij koele vochtige omstandigheden)

Kiemremming bewaaraardappelen

Het doel van kiemremming in aardappelen is het voorkomen van uitloop van de ogen. Kieming van aardappelen vraagt energie wat ten koste gaat van het knolgewicht. Met een goede kiemremming kunnen aardappelen langer worden bewaard, waarmee het afzetseizoen kan worden verlengd.

Beschikbare middelen bij inschuren:

Merknaam Samenstelling Dosering DTG VT
Gro-Stop Poeder 1% chloorprofam 1% 1-2 kg/ton1 consumptie, zetmeel 2 maanden
Tuberprop 1% chloorprofam 1% 1-1,5 kg/ton consumptie, zetmeel 24 uur
Gro-Stop basis chloorprofam 300 g/l Eenmalig 60 ml/ton in 120 ml water. Gedeelde toepassing 25 ml in 75 ml water/ton consumptie, zetmeel 2 maanden bij 60 ml/ton, bij 25 ml/ton VT0
Tuberprop Basic chloorprofam 300 g/l Eenmalig max 60 ml in 120 ml water/ton. Gedeelde toepassing max 35 ml in 75 ml water/ton consumptie, zetmeel 24 uur
Gro-Stop Ready chloorprofam 120 g/l Eenmalig max 150 ml/ton. Gedeelde toepassing max 75 ml/ton consumptie 2 maanden bij 150 ml/ton, bij 75 ml/ton VT0
Tuberprop Easy chloorprofam 120 g/l Eenmalig max 150 ml/ton. Gedeelde toepassing max 75 ml/ton consumptie, zetmeel 2 maanden bij 150 ml/ton, bij 75 ml/ton VT0